driewielfiets-trekt-naar-rechts-oorzaken-en-afstelling

Een driewielfiets die continu naar rechts trekt, kan het vertrouwen in het fietsen behoorlijk ondermijnen. Zeker als de fiets bedoeld is om juist extra stabiliteit en veiligheid te bieden, voelt een scheef lopende driewieler tegennatuurlijk en vermoeiend. Veel gebruikers merken het probleem het eerst als ze het stuur heel licht vasthouden of even willen loslaten: de fiets zoekt, slingert of duikt telkens dezelfde kant op. Dat is niet alleen irritant, maar vergroot ook de kans op schrikreacties, verkeerde stuurcorrecties en uiteindelijk valpartijen. Een goed uitgelijnde driewielfiets rijdt daarentegen voorspelbaar, rechtuit en vraagt weinig corrigerend sturen, ook bij lage snelheid en in bochten.

Het goede nieuws: een driewielfiets die naar rechts trekt, heeft bijna altijd een duidelijke technische of ergonomische oorzaak. Met een systematische aanpak zijn die oorzaken stap voor stap op te sporen en meestal ook te verhelpen, of het nu gaat om een Van Raam, Huka, Nihola, Hase of een omgebouwde tweewieler met achteras.

Veelvoorkomende oorzaken waarom een driewielfiets naar rechts trekt

Ongelijke bandenspanning en profielslijtage op linker- en rechterwiel

De simpelste maar ook de meest onderschatte oorzaak van een driewielfiets die naar rechts trekt, is een verschil in bandenspanning of profiel tussen links en rechts. Een zachte band heeft meer rolweerstand en een kleiner effectief loopvlak. Daardoor “remt” die kant als het ware af en wil de driewieler naar de andere zijde uitwijken. Bij een tadpole-drie­wieler (twee wielen voor, één achter) merk je dat direct in het stuur; bij een delta-driewieler (één voor, twee achter) zie je vaak dat de achterkant scheef loopt.

Bij tests van revalidatie-instellingen blijkt dat in meer dan 30% van de gevallen waarin een driewielfiets scheef loopt, de bandenspanning meer dan 0,5 bar verschilt tussen links en rechts. Dat is genoeg om een duidelijke zijdelingse trekkracht te veroorzaken, zeker bij brede transport- of revalidatiebanden. Kijk daarom niet alleen naar het voorwiel, maar controleer alle drie de banden met een drukmeter, ook als ze er “op het oog” goed uitzien. Ongelijke profielslijtage (bv. een vlak ingereden rechterband en een nog scherpe linkerband) kan hetzelfde effect geven, vooral op nat wegdek of bij grof profiel.

Verkeerd uitgelijnde voorvork of stuurkolom bij driewielfietsen van van raam en huka

Een tweede veelvoorkomende boosdoener is een scheef gemonteerde of licht verbogen voorvork of stuurkolom. Dat probleem komt voor bij zowel klassieke voorvorken als bij speciale constructies zoals bij Van Raam en Huka, waar complexe stuurstangen en kogelgewrichten de beweging naar de voorwielen doorgeven. Soms is er geen zichtbare kromming, maar staat de stuurpen net een paar graden uit het midden, of zijn de balhoofdlagers ongelijk aangespannen. Het gevolg is dat “rechtdoor” mechanisch gezien niet meer echt recht is en de driewielfiets een voorkeursrichting krijgt.

Een kleine afwijking van enkele millimeters aan de voorkant vertaalt zich bij drie wielen al snel in een merkbare zijdelingse drift. Zeker als je gewend bent aan een strak lopende tweewieler valt dat direct op. Een driewieler reageert bovendien minder met het lichaam en meer via het stuur, waardoor een scheve stuurkolom extra storend wordt ervaren. Bij een lichte botsing tegen een stoeprand of bij verkeerd transport kan zo’n uitlijning ongemerkt verstoren.

Foutieve montage of vervorming van de achteras bij differentieel- en starre assen

Bij delta-driewielfietsen (twee wielen achter) speelt de achteras een hoofdrol in de rechtuitstabiliteit. Een starre as of een as met differentieel moet exact haaks en symmetrisch in het frame staan. Als de achteras niet loodrecht op de rijrichting staat, “stuurt” de achterkant voortdurend naar één kant, wat door de berijder als naar rechts trekken of “zoeken” in het stuur wordt ervaren. De afwijking kan ontstaan door foutieve montage, slijtage in de lagerhuizen of door een harde klap op één van de achterwielen.

Bij driewielfietsen met differentieel (zoals veel modellen van Van Raam) komt daar nog bij dat het differentieel zelf ongelijk kan verdelen als er intern slijtage of schade is. Als één achterwiel zwaarder loopt door slechte lagers of een aanlopende rem, gaat het andere wiel meer aandrijven en zal de fiets naar de zwaar lopende zijde trekken. Dit effect is des te sterker bij elektrische trapondersteuning, omdat de motor onafgebroken kracht via de achteras levert.

Asymmetrische framegeometrie door lasfouten of transportschade

Hoewel minder frequent dan bandenspanning of verkeerde uitlijning, kan een scheef frame of een asymmetrische framegeometrie een driewielfiets permanent naar rechts laten trekken. Dat komt vooral voor bij oudere of zwaar belaste stalen frames, of bij fietsen die een ongeval hebben gehad. Een minimale torsie in het frame, niet-haakse lasnaden of scheve bevestigingspunten voor de achterbrug zorgen ervoor dat de wielen niet meer goed in één lijn staan, zelfs als elk wiel op zich recht lijkt.

Het vervelende is dat dit soort afwijkingen met het blote oog moeilijk te zien zijn. De fiets kan er perfect uitzien, nieuw gespoten, met mooie accessoires, maar toch voortdurend “uit de koers” willen lopen. Vooral bij tweedehands of gerestaureerde driewielfietsen is het verstandig zo’n frame tijdens een aankoopkeuring systematisch te laten controleren in een werkplaats met richtgereedschap en een vlak meetplateau, zeker als de vorige eigenaar al aangaf dat de fiets naar één kant trekt.

Mechanische diagnose: stap-voor-stap controleren waarom de driewieler scheef loopt

Visuele controle van frame, lasnaden en wielstanden op een vlakke ondergrond

Een goede diagnose van een driewielfiets die naar rechts trekt begint altijd met een eenvoudige, maar nauwkeurige visuele controle op een echt vlakke ondergrond. Zet de driewieler op een gladde vloer, bij voorkeur in een werkplaats of garage, en kijk vervolgens langs de lengteas van de fiets: staan alle drie de wielen optisch in één lijn, of lijkt één van de achterwielen dichter bij het frame? Let ook op de ruimte tussen banden en spatborden; ongelijkmatige afstand verraadt vaak een scheve montage of verbogen drager.

Controleer daarna systematisch de lasnaden en verbindingen. Zijn er zichtbare haarscheurtjes, verkleuringen of vervormingen rond de aanhechting van de achterbrug, de bevestiging van de voorvork of de drager voor een rolstoeladapter? Bij omgebouwde tweewielers met een achteras zijn de lasnaden rond de achterste driehoek extra kritisch. Een simpele test is de fiets tegen de muur te zetten en te kijken of het stuur en de voorvork exact haaks op de muur staan, zonder dat de banden de muur ongelijk raken.

Meten van spoorbreedte, wieldoorsnede en camber met schuifmaat en waterpas

Alleen kijken is vaak niet genoeg; echt duidelijk wordt het pas door te meten. Gebruik een maatlint of schuifmaat om de spoorbreedte tussen de voorwielen (bij tadpole) of achterwielen (bij delta) op verschillende punten te meten: vooraan, midden en achteraan. Het verschil tussen voor en achter mag in de regel niet meer zijn dan 1–2 mm, tenzij de fabrikant expliciet een bepaalde toe-in of toe-out voorschrijft. Een afwijking groter dan 3–4 mm kan al leiden tot scheef trekken en verhoogde bandenslijtage.

Met een lange waterpas of rechte lat is ook de camberhoek (kanteling van de wielen) te beoordelen. Plaats de waterpas verticaal tegen de band; links en rechts moeten dezelfde helling tonen. Tot slot loont het om de wieldoorsnede en bandenmaat links en rechts exact te vergelijken. Een afwijkende bandenmaat of zelfs een ander merk band met andere effectieve diameter kan subtiel maar merkbaar invloed hebben op de rechtuitstabiliteit van de driewielfiets.

Inspectie van lagers, naven en conussen op speling en rolweerstand links/rechts

Een driewielfiets die naar rechts trekt, kan ook simpelweg last hebben van asymmetrische lagerweerstand. Til de fiets wiel voor wiel op en laat elk wiel vrij draaien. Vergelijk hoe lang links en rechts “uitrollen”. Voel met de hand of er haperingen, schrapende geluiden of voelbare speling in de naven, conussen of lagers zitten. Een wiel dat zwaar loopt, dwingt de fiets naar die kant en veroorzaakt vaak een licht slingerende rijlijn, vooral bij lage snelheid.

Let daarbij niet alleen op de voorwielen, maar zeker ook op beide achterwielen bij delta-driewielfietsen. In de praktijk blijkt dat scheef afgestelde cones, versleten cup-and-cone-lagers of slecht gemonteerde industriële lagers relatief vaak voorkomen bij oudere of intensief gebruikte revalidatiefietsen. Ook hier geldt: al is de afwijking klein, de permanente invloed op de rechtuitstabiliteit is groot, juist omdat een driewielfiets altijd met alle drie de wielen contact houdt.

Testen van rembalans: trommelrem, schijfrem en terugtraprem op afzonderlijke wielen

Remmen hebben een directe invloed op het rechtuit rijden van een driewieler. Een licht aanlopende trommelrem of schijfrem aan één kant geeft continu extra weerstand, waardoor de driewielfiets subtiel naar die zijde trekt. Test de rembalans door tijdens een rustige testrit op veilige, vlakke weg elk remsysteem afzonderlijk te bedienen. Rem bijvoorbeeld alleen met de rechterhandrem en observeer hoe de fiets reageert, en herhaal dat met de linkerhandrem.

Bij elektrische driewielfietsen met achterremmen is het ook zinvol om na een korte rit de temperatuur van de remschijven of trommels links en rechts te voelen (voorzichtig, ze kunnen heet zijn). Een duidelijk warmere rem wijst op aanlopen of te strak afgestelde kabels. Een correcte rembalans is niet alleen belangrijk om te voorkomen dat de fiets naar rechts trekt, maar ook essentieel voor noodstops en korte bochten, zeker bij hogere snelheden of met belading.

Testrit met handsfree loslaten van het stuur om structurele afwijking te detecteren

Hoewel het bij een driewielfiets niet altijd gebruikelijk is om volledig “handsfree” te rijden, kan een gecontroleerde testrit met zeer licht stuurcontact veel vertellen. Op een rustige, rechte weg met goede ondergrond is het mogelijk het stuur even los te laten of slechts met vingertoppen vast te houden. Een driewielfiets in goede staat blijft dan relatief rustig in het spoor, zonder sterk naar één kant te duiken of te “zoeken”.

Trekt de driewieler direct merkbaar naar rechts zodra het stuur wordt losgelaten, terwijl het wegdek vlak is en de wind rustig, dan wijst dat vrijwel zeker op een structurele afwijking in uitlijning, framegeometrie of rem-/lagerweerstand. Het lichaam kan dat bij stevig vasthouden van het stuur lang compenseren, maar op de lange termijn leidt dat tot vermoeidheid in schouders en polsen. Vergelijk het met een auto die permanent naar één kant uit de koers wil: bij elk recht stuk stuur je onbewust terug.

Afstelling van stuurinrichting en uitlijning bij driewielfietsen

Correct instellen van toe-in en toe-out van de voorwielen bij tadpole-driewielfietsen

Bij tadpole-driewielfietsen (twee wielen vóór, één achter) is de spoorstand van de voorwielen cruciaal. Een verkeerde toe-in (voorzijde dichterbij elkaar dan achterzijde) of toe-out (voorzijde verder uit elkaar) zorgt niet alleen voor hogere rolweerstand en snelle bandenslijtage, maar ook voor een fiets die naar links of rechts trekt. De ideale afstelling hangt af van de fabrikant, maar vaak wordt voor recreatieve driewielfietsen een lichte toe-in van circa 0–2 mm geadviseerd.

Het instellen gebeurt door de stuurstangen te verstellen, meestal via verstelbare kogelgewrichten of stuurkogels. Meet eerst de afstand tussen de velgranden aan de voorkant en achterkant op ashoogte. Stel vervolgens de stangen zo af dat beide afstanden het gewenste verschil hebben én links en rechts precies gelijk zijn. Een fout van 2–3 mm aan één kant kan al genoeg zijn voor een merkbaar naar rechts trekkende driewielfiets, vooral bij hogere snelheden of lange rechte stukken.

Afstellen van stuurkogelgewrichten, stuurstangen en balhoofdlagers

De stuurinrichting van moderne driewielfietsen lijkt qua principes op die van een auto: kogelgewrichten, stangen en een fusee-achtige ophanging. Als één kogelgewricht zwaarder loopt, speling vertoont of onder een verkeerde hoek staat, ontstaat een “dood punt” in de besturing. Veel gebruikers beschrijven dat als: de fiets stuurt naar rechts en wil niet vanzelf terug, of blijft hangen als er eens naar links is gestuurd. Dat gevoel is meestal te herleiden tot ongelijk aangetrokken of versleten stuurcomponenten.

Bij de balhoofdlagers geldt hetzelfde. Een te strak afgesteld balhoofd veroorzaakt een centrerend of juist blokkerend moment rond de middenstand. De driewielfiets reageert dan nerveus rond het midden en zoekt bij een lichte stuurbeweging naar een nieuwe “rustpositie”, vaak iets uit het midden. Een vloeiend draaiend balhoofd, zonder voelbare “kantelschakel” of speling, is essentieel om te voorkomen dat de fiets als vanzelf naar rechts trekt of begint te slingeren.

Centeren van het stuur en rechtzetten van de stuurpen ten opzichte van het frame

Een scheef gemonteerd stuur lijkt een detail, maar heeft in de praktijk veel invloed op hoe jij de rechtuitstand van de driewielfiets ervaart. Als de stuurpen niet exact in lijn met het frame staat, ga je onbewust compenseren met je handen en bovenlichaam. Dat leidt op den duur tot de indruk dat de driewieler zelf naar rechts trekt, terwijl feitelijk jij de fiets continu bijstuurt om “recht” aan te voelen. Het brein volgt het stuurbeeld, niet per se de echte rijrichting.

Een eenvoudige methode om de stuurstand te controleren, is de afstand van de stuuruiteinden tot de vooras aan beide zijden te meten. Is het verschil groter dan enkele millimeters, dan staat de stuurkolom scheef. Door de stuurpen te lossen, licht te verdraaien en opnieuw aan te trekken, is de stuurinrichting weer te centreren. Het effect op het rijgevoel is vaak direct merkbaar: de driewielfiets voelt rustiger, voorspelbaarder en minder geneigd om naar één kant te willen.

Kalibreren van de spoorstand volgens fabrieksvoorschriften van van raam, nihola en hase

Elke fabrikant hanteert eigen toleranties voor uitlijning en spoorstand. Modellen van Van Raam, Nihola en Hase hebben soms verschillende geometrieën en wielbasis, waardoor generieke stelwaarden niet altijd optimaal zijn. Daarom is het bij hardnekkige klachten over een naar rechts trekkende driewielfiets aan te raden de fabrieksdocumentatie te raadplegen of de fiets bij een erkende dealer te laten kalibreren. Die beschikt over richtframes, meetlatten en ervaring met de specifieke constructie.

Bij professionele keuringen wordt de spoorstand vaak in combinatie met de belaste situatie gemeten: dus met berijder op de fiets, omdat het frame onder gewicht licht kan vervormen. Dat levert in de praktijk een nauwkeuriger afstelling op dan alleen met de fiets op standaard. Zeker bij driewielers voor zwaardere gebruikers of met stevige bagagedragers is die belaste meting geen overbodige luxe om te voorkomen dat de fiets bij normaal gebruik naar rechts gaat trekken.

Invloed van aandrijving, differentieel en remsysteem op het naar rechts trekken

Verschillen tussen vrijloopnaaf, starre as en differentieel (bijv. van raam-differentieel)

De manier waarop de driewielfiets wordt aangedreven speelt een onderschatte rol in het naar rechts trekken. Een model met simpele vrijloopnaaf en één aangedreven wiel reageert anders dan een uitvoering met starre as of een geavanceerd differentieel zoals bij veel Van Raam-fietsen. Bij een eenzijdig aangedreven delta-driewieler is het bijvoorbeeld normaal dat de fiets onder zware belasting subtiel naar de aangedreven kant wil. Dat effect wordt versterkt als het andere wiel minder grip heeft of lichter belast is.

Een differentieel verdeelt de aandrijfkracht theoretisch gelijk over beide achterwielen, maar in de praktijk verschuift die verdeling naar het wiel met de minste weerstand. Is de rechterzijde bijvoorbeeld zwaarder door remweerstand of lagere bandenspanning, dan krijgt het linkerwiel meer aandrijfkracht en kan de fiets juist naar rechts gaan trekken. Het is daarom belangrijk om bij klachten over een trekkende driewielfiets niet alleen naar de geometrie, maar ook naar de aandrijflijn en de toestand van de afzonderlijke naven te kijken.

Onbalans in rollerbrakes, hydraulische schijfremmen en trommelremmen per wiel

Bij moderne driewielfietsen worden diverse remsystemen toegepast: rollerbrake, hydraulische schijfremmen, mechanische schijven en trommelremmen. Elk systeem heeft eigen typische problemen die kunnen leiden tot onbalans. Een versleten of vervuilde remschijf aan de rechterkant kan bijvoorbeeld licht aanlopen en extra weerstand creëren, terwijl de linkerzijde vrij loopt. De driewieler trekt dan consistent naar rechts, zelfs zonder dat de remhendel wordt bediend.

Statistisch gezien blijkt dat bij intensief gebruikte revalidatiefietsen remonbalans in circa 15–20% van de servicebeurten wordt vastgesteld, vaak zonder dat de gebruiker dit direct als “remprobleem” benoemt. Een praktische tip is om bij een vrijlooptest (wielen opbokken en laten draaien) niet alleen naar de duur van het nadraaien te kijken, maar ook de remklauwen en -armen visueel te controleren op correcte terugkeer in neutrale stand. Een slecht gesmeerde of verroeste remkabel kan net genoeg spanning houden om één kant te laten slepen.

Effect van trapondersteuning en middenmotor (bosch, bafang) op trekkende driewielfiets

Elektrische trapondersteuning verandert het gedrag van een driewielfiets aanzienlijk. Middenmotoren van bijvoorbeeld Bosch of Bafang leveren een constante, relatief hoge kracht via de ketting op de achteras. Als die achteras, het differentieel of de naven niet perfect symmetrisch functioneren, versterkt de motor elk klein verschil. Wat zonder ondersteuning nauwelijks voelbaar was, wordt met e-assist ineens een duidelijk naar rechts trekkende dreiging, vooral in hogere ondersteuningsstanden.

Bovendien zorgt de extra massa van accu en motor voor een andere gewichtsverdeling. Staat de accu aan één zijde van het frame of op een zijdelings gemonteerde drager, dan kan de fiets bij accelereren meer naar die kant willen “hangen”. Bij software-updates of vervanging van de motor is het raadzaam om daarna een korte controle van de uitlijning te plannen. Veel fietsenmakers koppelen die check inmiddels standaard aan een jaarlijkse onderhoudsbeurt van elektrische driewielfietsen, juist om klachten over scheef trekken te voorkomen.

Ergonomie, zitpositie en gewichtsverdeling van de berijder

Instellen van zadelhoogte, zitdiepte en rugsteun bij lage instap driewielfietsen

Niet elk probleem met een driewielfiets die naar rechts trekt is puur mechanisch. De manier waarop jij op de fiets zit, is minstens zo bepalend. Bij lage instap driewielfietsen en modellen met zit- of kuipstoel is de zadelhoogte, zitdiepte en rugsteun cruciaal voor een symmetrische krachtverdeling. Zit je iets scheef, of glij je steeds naar één kant in de zitting, dan druk je voortdurend meer op één pedaal en leun je met je bovenlichaam naar rechts of links. De driewieler volgt dan die constante eenzijdige belasting.

Een goede basisafstelling houdt in dat de knieën bij de laagste stand van het pedaal licht gebogen blijven, dat de heupen niet wiegen tijdens het trappen en dat de rugsteun de wervelkolom recht ondersteunt. Als het zadel te hoog staat, ga je vaak ongemerkt naar één kant “hangen” om toch bij het pedaal te komen, wat weer leidt tot een scheve druklijn. Bij revalidatiegebruikers met beperkte mobiliteit is een professionele passing door een ergotherapeut of gespecialiseerde dealer sterk aan te raden.

Invloed van eenzijdige belasting door bagagedrager, mand of rolstoeladapter

Driewielfietsen worden vaak gebruikt als praktische vervoersmiddelen met manden, kratten, rolstoelklemmen of zelfs voorspatborden met bagageplatform. Eenzijdige belading – bijvoorbeeld een zware tas of boodschappenkist rechts achter op de drager – zorgt voor een blijvende trek naar die kant, vooral bij lage snelheid en in bochten. Bij een delta-driewieler met twee achterwielen merk je dat de achterkant als het ware “duwt” naar de zwaar beladen zijde, waardoor het voorwiel tegenstuurt.

Een simpele richtlijn is om zware lading zo dicht mogelijk bij de lengteas van de fiets en zo laag mogelijk te plaatsen. Bij rolstoeladapters en voorop gemonteerde manden loont het om de bevestiging te controleren: staat de adapter exact in het midden, of schuift hij bij belasting onmerkbaar naar rechts? Het effect van enkele kilo’s extra gewicht aan één kant lijkt klein, maar op langere ritten vraagt constante compensatie met het stuur, wat door veel berijders wordt ervaren als een driewielfiets die structureel naar rechts trekt.

Compensatie voor eenzijdige spierkracht of balansproblemen bij revalidatiegebruikers

Bij revalidatiegebruikers en ouderen speelt de eigen lichaamssymmetrie een grote rol. Wie door een beroerte, MS of heupklachten aan één kant minder kracht heeft, trapt vaak asymmetrisch. De sterkste beenzijde duwt harder, de romp helt die kant op, en de driewielfiets reageert daarop. In dat geval is het niet altijd zinvol om eindeloos aan de techniek van de fiets te sleutelen; minstens zo belangrijk is het om de trapfrequentie, zadelstand en – waar nodig – hulpmiddelen als crankverkorters of speciale pedalen in te zetten.

Een ervaren therapeut kan helpen om een zo symmetrisch mogelijke zit- en trappositie te vinden. Soms is een lichte technische compensatie wenselijk, bijvoorbeeld een iets andere stuurstand of een verstevigde rugsteun aan één kant, maar overcompensatie kan de driewielfiets juist instabiel maken. In veel gevallen helpt het al als je bewust traint op een gelijkmatige krachtverdeling: rustiger cadans, focus op beide benen en zo nodig de elektrische ondersteuning hoger zetten om piekbelasting op het sterke been te beperken.

Onderhoudsplan en periodieke controles om scheef trekken van de driewielfiets te voorkomen

Een driewielfiets die vandaag perfect rechtuit rijdt, kan na maanden intensief gebruik ongemerkt weer gaan zoeken of naar rechts trekken. Een gestructureerd onderhoudsplan voorkomt dat kleine afwijkingen uitgroeien tot grote problemen. In de praktijk is een jaarlijkse grote beurt, gecombineerd met halfjaarlijkse eigen controles, voor de meeste recreatieve gebruikers voldoende. Bij dagelijks gebruik in zorginstellingen of als deelvoertuig is een kwartaalcontrole realistischer.

Onderdeel Controlefrequentie Belang voor rechtuit rijden
Bandenspanning & profiel Elke maand Vermindert zijdelingse trek en rolweerstand
Uitlijning & spoorstand 1× per jaar / na aanrijding Voorkomt structurele afwijking naar links/rechts
Remmen en lagers Halfjaarlijks Voorkomt onbalans en aanlopende wielen
Frame & lasnaden Jaarlijks visueel Signaleert scheurvorming en vervorming vroegtijdig

Een praktische tip is om een korte “referentierit” te gebruiken na elke onderhoudsbeurt: een vast, vlak traject waar je weet hoe de driewieler zich normaal gedraagt. Voelt de fiets daar ineens anders aan, trekt hij naar rechts bij licht vasthouden van het stuur of reageert hij nerveuzer in bochten, dan is dat een signaal om niet af te wachten maar gericht te laten nakijken. Kleine afwijkingen zijn eenvoudig te verhelpen; grote frame- of asproblemen vergen specialistisch werk en kunnen in sommige gevallen beter leiden tot vervanging dan tot geforceerd richten.

Een driewielfiets hoort voorspelbaar, rustig en rechtuit te rijden. Zodra constante stuurcorrecties nodig zijn, is dat geen “karaktertrek” van het model, maar een uitnodiging om de techniek en zitpositie systematisch onder de loep te nemen.

Door aandacht te besteden aan bandenspanning, uitlijning, rembalans, aandrijving én ergonomie, blijft de driewieler jarenlang veilig, comfortabel en vrij van het vermoeiende gevoel dat de fiets steeds weer naar rechts wil ontsnappen.